Technologie is een onderdeel gaan uitmaken van ons dagelijks leven en internet is daar in de afgelopen jaren een steeds grotere rol in gaan spelen. Met de explosieve toename van mobiel internet kunnen we het wereldwijde web wanneer we maar willen uit onze broekzak vissen om te communiceren, te navigeren, te kijken wat onze vrienden aan het doen zijn of snel iets op te zoeken. In hoeverre heeft dit invloed op de structuur van onze hersenen? En als er inderdaad sprake is van een dergelijke invloed; is deze invloed schadelijk en zouden we ons dan zorgen moeten maken?
Volgens Susan Greenfield, professor op het gebied van synaptisch farmacologie aan Lincoln College in Oxford, zou het overmatig gebruik van internet wel degelijk de structuur van onze hersenen veranderen. Volgens een artikel van haar hand in 2009 zullen we halverwege deze eeuw ‘geïnfantiliseerde’ hersenen hebben die zich laten kenmerken door een zeer korte aandachtspanne, het onvermogen ons te kunnen inleven en ‘a shaky sense of identity’. Dat hierbij zelfs wel eens een link wordt gelegd tussen internetgebruik en ADHD schiet sommige mensen in het verkeerde keelgat.
Hoe zit het nou precies? Veranderen onze hersenen naarmate we meer gebruik maken van internet? Een Chinees onderzoek, wat ook door Greenfield wordt aangehaald, toonde aan dat studenten die aangaven ‘internetverslaafd’ te zijn, in delen van de hersenen minder grijze massa hadden dan hun leeftijdsgenoten. Minder grijze massa duidt op minder verbindingen tussen de cellen in die gebieden. Maar voor oorzaak-gevolg-conclusies moeten we oppassen, zeker in de psychologie. In dit geval weten we niets over de structuur van de hersenen van deze studenten vóórdat zij overmatig gebruik gingen maken van het internet en kan het goed zijn dat zij die internetverslaving juist ontwikkelden vanwege die verminderde grijze massa in bepaalde gebieden.
Onze hersenen blijven gedurende ons hele leven veranderen, onze hersenen zijn plastisch. Tijdens onze eerste levensjaren is deze plasticiteit groter; onze hersenen zijn dan sterk in ontwikkeling. Voor bepaalde hersenfuncties, zoals de ontwikkeling van taal, geldt een gevoelige periode. Hoewel we een taal vrij automatisch zullen aanleren, is het wel essentieel dat we op jonge leeftijd blootgesteld worden aan taal. Naarmate we ouder worden neemt de plasticiteit af, maar zijn onze hersenen nog altijd in staat zich aan te passen aan onze omgeving. Alles wat we doen heeft invloed op hoe onze hersenen zich vormen.
Wanneer we onszelf iets aanleren, of dit nou een cognitief proces of een fysieke bezigheid is, zullen we na verloop van tijd merken dat we niet meer bewust alle handelingen hoeven aan te sturen, maar deze als het ware vanzelf gaan. Dit gebeurt ook wanneer we leren omgaan met technologie en met internet; andere hersendelen zullen actief worden wanneer we nu gebruik maken van Google, dan toen we dit voor het eerst deden. Dat feit op zich is dus geen reden tot paniek.
Er zijn inderdaad aanwijzingen dat we dingen minder goed zullen onthouden wanneer we weten dat we ze later weer kunnen opzoeken. De vraag is hoe kwalijk dit is, aangezien we dankzij internet een bijna onuitputtelijke bibliotheek vol informatie tot onze beschikking hebben. De klokkenluiders van de gevaren van het wereldwijde web lijken zich vooralsnog te berusten op ‘losse’ onderzoeksresultaten. De angst voor nieuwe technologie is niet nieuw en de discussie zal ook nog wel even gevoerd worden. In plaats van bang te zijn voor de mogelijke gevaren, lijkt het mij belangrijk dat we kijken naar de mogelijkheden die technologie bieden, bijvoorbeeld door internet en nieuwe technologieën (meer) in te zetten in het onderwijs.
Ik wil afsluiten met een verwijzing naar een lezing van Paul Howard Jones over dit onderwerp. Voor mij bestempelt de mogelijkheid om een dergelijke spreker aan het woord te zien één van de krachten van internet.

David Stomph
/ december 2, 2011Eindelijk een goed stuk met wetenschappelijke onderbouwing. Gezond kritisch en fijn om te lezen.